pruimen

Het nieuwe pensioencontract

In het nieuwe pensioenstelsel veranderen de regels voor deelnemers en pensioenfondsen. Wat betekent het voor de portefeuilles die u beheert? We hebben het voor u op een rijtje gezet.
tijdlijn nieuw pensioenakkoord
Paragraph-1,Advance Static Table-1
Paragraph-2,Paragraph-3
Paragraph-4,Paragraph-5,Paragraph-6,Paragraph-7
Paragraph-8,Paragraph-9,Paragraph-10,Paragraph-11
Paragraph-12

Het nieuwe pensioenstelsel: de veranderingen in een notendop

In nieuwe pensioenstelsel veranderen de regels voor deelnemers en pensioenfondsen. Dit zijn een paar grote wijzigingen in een notendop.

Oud Nieuw
Deelnemers
Uitkeringstype Een 'gegarandeerd' pensioen Aanspraak op een vooraf bepaald deel van het vermogen
Onderliggende systematiek 'Gegarandeerd' nominaal pensioen (totdat de financiële positie te veel verslechterd is) Pensioenen zijn directer verbonden met de ontwikkeling van de financiële markten
Risicodeling Collectieve risicodeling Persoonlijk risico (afhankelijk van leeftijd); met een solidariteitsreserve (max. 15% van totale fondsvermogen)
Beleid
Bepaling dekkingsgraad Gebaseerd op rekenrente Projectierendement (nog niet gespecificeerd)
Beleggingsbeleid Collectief beleid Collectief (gebaseerd op de lifecycle van verschillende leeftijdscohorten)
Bewegingvrijheid Streng bepaald door FTK-regels (In theorie) meer flexibiliteit

Wet Toekomst Pensioenen – BlackRock, maart 2021

Van garantiepensioen naar beschikbare premieregeling

In het huidige Defined Benefit-stelsel kunnen deelnemers in principe rekenen op een toezegging van de hoogte van hun pensioenuitkering. Om die garantie na te komen, moeten pensioenfondsen hun dekkingsgraad - die grotendeels bepaald wordt door de rekenrente - op peil houden. Door de gestaag dalende rente kregen ze daar de laatste jaren steeds meer moeite mee. Een (te) lage dekkingsgraad kan leiden tot kortingen op het pensioen en/of tot het achterwege laten van indexatie; een deel van de gepensioneerden heeft dit laatste al ondervonden.

Fundament huidig pensioenstelsel broos

Vandaar de roep om verandering van het pensioenstelsel. De noodzaak hiertoe wordt versterkt door een aantal maatschappelijke trends: mensen worden steeds ouder en blijven langer werken; tegelijk zijn er relatief steeds minder werkenden ten opzichte van gepensioneerden; bovendien switchen werknemers nu veel vaker van werkgever dan vroeger. ‘Daardoor is het fundament van dit pensioenstelsel broos geworden’, constateerde minister van Sociale Zaken Wouter Koolmees tijdens het Jaarcongres van Pensioen Pro (10 december 2020). Daar komt bij dat pensioenen in de loop der jaren veel gevoeliger zijn geworden voor turbulentie op de financiële markten, omdat de beleggingsopbrengsten voor pensioenfondsen zwaarder zijn gaan wegen in relatie tot het totale bedrag aan ingelegde pensioenpremies.

Pensioenen gaan meer meebewegen met de economie

Het pensioenstelsel gaat dan ook op de schop. Bij de nieuwe Defined Contribution regeling, ook bekend als ‘beschikbare premieregeling’, ligt de hoogte van de premie straks vast maar is de hoogte van de uitkering variabel. Het uit te keren pensioen hangt af van het opgebouwde vermogen en de feitelijk gerealiseerde beleggingsrendementen. De pensioenuitkering gaat daardoor meer meebewegen met de economische realiteit.

De noodzaak van de dekkingsgraad verdwijnt

Een andere belangrijke verandering is dat pensioenaanspraken vervallen waarmee ook de noodzaak van de dekkingsgraad verdwijnt. En daarmee van het aanhouden van hoge buffers (met name nodig door de lage rente). Zonder deze buffers zit er minder geld ‘vast’ in het systeem, kunnen pensioenfondsen meer beleggen en kunnen deelnemers eerder profiteren: in jaren van positieve beleggingsrendementen kunnen de pensioenen sneller omhoog. Maar als de economie terugvalt en daarmee het beleggingsrendement, zullen de pensioenen eerder verlaagd worden.

Meer inzicht en keuzevrijheid voor de deelnemer

Voor de deelnemer geldt straks: je krijgt een eigen pensioenrekening waarop je pensioenpremie wordt gestort. Je spaart voor jezelf, ziet de fluctuaties in je eigen pensioenpotje en word je daardoor meer bewust van de risico’s. Kortom, het nieuwe pensioenstelsel wordt persoonlijker, transparanter en biedt eerder perspectief op indexatie. Deelnemers krijgen bovendien het recht van vrije opname: op de datum dat hun pensioen ingaat, mogen ze tot 10% van de opgebouwde pensioenwaarde vrij opnemen. Dit leidt dan uiteraard wel tot een lagere maandelijkse pensioenuitkering.

Optelsom beschermingsrendement en overrendement

In het huidige pensioenstelsel geldt de rekenrente als basis voor het berekenen van de contante waarde van de verplichtingen; de toedeling van het rendement loopt uniform (collectief) via de dekkingsgraad.

In het nieuwe pensioenstelsel wordt deze rekenrente vervangen door het projectierendement, dat de pensioenfondsen zelf bepalen binnen de marges van DNB. Dit projectierendement is de optelsom van twee componenten: het beschermingsrendement en het overrendement.

Rendement leeftijdsafhankelijk toedelen

Hoe werkt dit in praktijk? Een pensioenfonds splitst het behaalde beleggingsresultaat uit naar het beschermingsrendement en het overrendement.

Het beschermingsrendement is bedoeld om renteschokken op te vangen; pensioenfondsen kunnen dit rendement afleiden uit de rentetermijnstructuur van DNB. Ze kunnen het beschermingsrendement berekenen op basis van hun totale verplichtingen, maar mogen dit ook doen aan de hand van slechts een deel van die verplichtingen. Het beschermingsrendement kan per deelnemersgroep berekend worden en daarmee leeftijdsafhankelijk worden toegedeeld. Dit betekent dat renterisico in beginsel in mindere mate, of helemaal niet meer gedeeld wordt. Zo kan een pensioenfonds voor (overwegend) het cohort van de oudere deelnemers - hun verplichtingen hebben een kortere looptijd dan die van jongeren - uitgaan van een lagere rentegevoeligheid dan voor de jongere deelnemers.

behaalde belegggingsresultaat

Het daadwerkelijk met beleggingen behaalde rendement boven of onder het vastgestelde beschermingsrendement is ‘over’. Dit overrendement wordt over de deelnemers verdeeld, afhankelijk van hun risicodraagkracht en -houding. De totale som van beschermingsrendement plus overrendement draagt bij aan het voor pensioen gereserveerde vermogen van de deelnemers; valt die optelsom negatief uit, dan daalt dit vermogen uiteraard. Uitgangspunt is dat ouderen relatief veel beschermingsrendement krijgen (en daarmee meer uitzicht op een stabiele pensioenuitkering), en jongeren relatief veel overrendement. Jongeren hebben immers veel meer tijd voor hun pensioenopbouw.

Pensioenfondsen kunnen kiezen: solidair pensioencontract of flexibel pensioencontract

Pensioenfondsen kunnen binnen het nieuwe pensioenstelsel straks kiezen tussen de solidaire premieregeling, ook wel het solidair pensioencontract, en de flexibele premieregeling, ofwel het flexibele pensioencontract (tot voor kort binnen de sector bekend als resp. het NPC en de WVP+).

Een fonds dat kiest voor de solidaire premieregeling, verdeelt na een jaar zowel het beschermingsrendement als het overrendement via een vooraf bepaalde verhouding onder de verschillende leeftijdscohorten binnen het fonds; groepen individuen van grofweg dezelfde leeftijd delen dus in dezelfde mate in de risico’s.

Dat verschilt van de flexibele premieregeling waar het gerealiseerd rendement uit individuele portefeuilles van deelnemers het uitgangspunt is.

De solidariteitsreserve: speciaal voor fondsen met een solidaire premieregeling

Pensioenfondsen die kiezen voor de solidaire premieregeling krijgen te maken met een verplichte gezamenlijke voorziening: de solidariteitsreserve. Deze solidariteitsreserve is een collectieve buffer, die in slechte tijden kan worden aangesproken om tegenvallers collectief op te vangen.

De solidariteitsreserve verdeelt rendementen eerlijk tussen generaties

Doel van de solidariteitsreserve is om de ongelijke verdeling van beleggingsrendementen tussen de verschillende generaties gelijk te trekken. En om zo collectieve risicodeling mogelijk te maken, zowel binnen als tussen generaties. Voor de pensioenfondsen die kiezen voor de flexibele pensioenregeling geldt er geen eis tot de opbouw van een solidariteitsreserve, behalve voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen; die kunnen in de verbeterde premieregeling de solidariteitsreserve als optie aanbieden. De flexibele premieregeling krijgt een optionele ‘risicodelingsreserve’, die toegankelijk wordt voor alle pensioenfondsen (daarbij geldt dat deze buffer alleen met premie gevuld mag worden en niet met rendementen). De solidariteitsreserve is in wezen van alle betrokken deelnemers; fondsen vullen deze reserve uit de pensioenpremies en/of uit een deel van het beleggingsrendement, tot een plafond van maximaal 15% van het collectieve fondsvermogen. Jaarlijks mogen ze tot 10% van de premie en/of tot 10% van het collectieve overrendement aan de solidariteitsreserve toevoegen.

Een voorbeeld

Stel, de pensioenpremies die een pensioenfonds jaarlijks binnenkrijgt, bedragen ruim 2% van het pensioenvermogen. Dat betekent dat dit fonds jaarlijks maximaal 10% van deze premies mag toevoegen aan de solidariteitsreserve, oftewel 0,2%. Stel vervolgens dat het jaarrendement van de collectieve portefeuille, die voor circa 50% uit aandelen bestaat, 6% is; dat resulteert dan in een overrendement van (ten minste) 3%. Het toevoegen van maximaal 10% hiervan aan de solidariteitsreserve verhoogt deze reserve jaarlijks met circa 0,3%. Bij elkaar opgeteld betekent dit dat dit pensioenfonds zijn solidariteitsreserve jaarlijks met circa 0,5% kan verhogen, zolang het tussentijds niet uitkeert vanuit deze reserve.

 

Fonds kiest welke doelen het zwaarst wegen

Net als de voor de uitkeringen gereserveerde pensioenvermogens mag de solidariteitsreserve niet negatief worden. Bij het opbouwen van de solidariteitsreserve mogen de fondsen het aanwezige collectieve fondsvermogen deels hiervoor gebruiken. Het pensioenfonds mag bij de invulling van de solidariteitsreserve kiezen op welke doelen het, na overleg met de sociale partners, de nadruk wil leggen: het vullen van de reserve, welke regels het formuleert voor uitdelingen, wat de gewenste omvang van de reserve is én hoe de reserve kan bijdragen aan de risicodeling binnen en tussen generaties. Overigens mag het aspect van de solidariteitsreserve wereldwijd gezien worden als uniek.

Leeftijd deelnemers bepalend voor hun risicoprofiel

De gebruikelijke middel- of eindloonregeling is straks niet meer toegestaan. Kunnen deelnemers in principe nu nog rekenen op een vaste pensioenaanspraak, dat wordt in het nieuwe stelsel een streven, binnen de sector ook wel bekend als de ‘pensioenambitie’. De gepensioneerde in spe kan dan niet meer rekenen op een bepaald, vast pensioenbedrag; de feitelijke pensioenuitkering hangt uiteindelijk af van de rente, het beleggingsrendement en de risicodeling over de verschillende generaties.

Premies worden leeftijdsonafhankelijk

Een van de kritiekpunten op het huidige pensioenstelsel is dat jongeren met een deel van hun pensioenpremie de pensioenopbouw van hun oudere collega’s in feite subsidiëren. Dat gaat in het nieuwe stelsel veranderen: de doorsneepremie verdwijnt, de premiepercentages worden leeftijdsonafhankelijk en gekoppeld aan de opbouw van het eigen pensioen. Dat betekent dat jongeren, zeker als zij op jonge leeftijd gaan werken, onder het nieuwe pensioencontract meer pensioen opbouwen aan het begin van hun loopbaan. Hun pensioenpremie wordt dan namelijk niet meer deels gebruikt voor het subsidiëren van de pensioenopbouw van hun oudere collega’s. Uitgangspunt van de nieuwe ‘beschikbare premieregeling’ is onder andere dat de te betalen premie voor elke deelnemer, ongeacht de leeftijd, vast is en dus gelijk voor alle deelnemers, jong of oud.

Leeftijd heeft invloed op beleggingsmix

Wat betreft het dragen van risico’s gaat de leeftijd van de deelnemers wél een grote rol spelen. Pensioenfondsen moeten kunnen aantonen dat de uitkomsten van hun beleggingsstrategie in lijn zijn met de risicohouding van de verschillende leeftijdscohorten. Daarbij is de leidraad dat naarmate een deelnemer ouder is (en dus dichter tegen zijn pensioen aanzit), hij een groter deel van zijn beleggingsmix zal willen beleggen in minder risicovolle beleggingen. Let wel, dit geldt voor de flexibele premieregeling; binnen de solidaire premieregeling verandert de concrete mix van beleggingen niet maar wel de toerekening van rendement: meer beschermingsrendement naar ouderen, en meer overrendement toegerekend aan jongeren.

Daardoor zullen de beleggingsrendementen per leeftijdscohort meer uiteen gaan lopen. Oudere deelnemers kunnen rekenen op een relatief stabieler beleggingsrendement terwijl jongere deelnemers, die meer ruimte krijgen voor risico, een relatief grilliger en wellicht hoger rendement tegemoet kunnen zien.

Stijgende rente? Lagere renteafdekking

Vooraf moet een pensioenfonds voor ieder leeftijdscohort vaststellen in welke mate het is blootgesteld aan het overrendement en aan de renteafdekking via het beschermingsrendement. Wanneer een pensioenfonds verwacht dat de rente gaat stijgen dan kan dat een reden zijn voor een lagere renteafdekking. Die zal dan vooral gewenst zijn voor jongeren vanwege de lange looptijd van een eventuele afdekking en vanwege het feit dat het risico van het pensioen nog gedempt wordt door toekomstige pensioenpremies. Voor ouderen is een hoge mate van renteafdekking geschikt om de volatiliteit van het pensioen te beperken.